Japanse oesters met westers tintje

Japanse baby oesters
Japanse oesters

Takashi Suzuki, de Japanner waarmee we afgesproken hebben, is een lange man. Wij zijn onder de indruk van zijn vloeiend Engels taalgebruik. Na twee weken door Japan gereisd te hebben, zijn we die combinatie nog niet tegengekomen.
’s Morgens namen we een vroege, verroeste veerboot, die ons in het Hiroshima archipel langs honderden kleine eilandjes navigeert. Ze lijken op groene cupcakes, die uit het water opdoemen. Ze zijn rotsachtig, dicht bebost en bijna allemaal onbewoond. Ertussen hangt een mist van regen. In de zomer is het regenseizoen. Op het eiland Higashino aangekomen sjokken wij met onze zware rugzakken op onze rug richting de Oester- en Shrimp farm van Suzuki.
Aan de rommelige ruimtelijke ordening merken we dat Higashino een arm eiland is. Scharrige huizen, kleinschalige boerderijen en eenvoudige bedrijfsgebouwen wisselen elkaar af. Hun aan de weg grenzende percelen, hebben ongemaaide grasveldjes, worden als opslag gebruikt of als erf voor kippen. Op de rand van de verharde weg benen we in hoog tempo voort. Soms springen we de berm in als er een vuil bestelbusje passeert. De regen spat tegen onze benen omhoog. Het maakt niet uit, nat zijn we al.

Onze afspraak met Suzuki is per mail gemaakt. Wij vonden zijn Engelstalige website via Google. Het contact was vlot, verder weten we niet wat ons te wachten staat. Na een wandeling van drie kwartier komen we bij een nieuw houten gebouw met lange veranda. Het gebouw lijkt op een Amerikaanse barn en biedt onderdak voor zowel een restaurant als een kantoor.

“Tien jaar geleden kocht ik deze verwaarloosde garnalen kwekerij, inclusief het meer waar we nu op uitkijken”, zegt Suzuki. “Ik begon mijn carrière op de visveiling van Tokyo, totdat ik besloot het roer om te gooien. Op de veiling heb ik interesse gekregen in oesters. Ik reisde naar Australië en Frankrijk, waar ik geleerd heb hoe ze  in daar oesters kweken. “Welke kweker in Frankrijk was dat”, wil Matijn weten. “Nick Werkhoven van Fonteneau”. “Dat meen je!” roepen wij uit. Die kennen we, dat is een Nederlander.” Matijn en Suzuki maken een selfie en sturen die naar Nick, die blij verrast reageert.

Dat Suzuki zijn inspiratie in het buitenland heeft opgedaan, zien we terug in hoe hij de farm en het restaurant heeft verbouwd. Er is een counter met Franse oesterboeken, er hangen vishengels aan de wand en op het deck aan de voorkant van het restaurant staan eettafeltjes. Bij mooi weer kan je buiten eten.

Japanse Oesters
Vanuit de open keuken zet een van de medewerksters een schaal met kleine Japanse oesters neer. “De oesters zijn niet ouder dan een jaar”, zegt Suzuki. Zulke oesters zagen we niet eerder. Over de rug van de bijna zwarte schelp loopt een witte streep. “Net als in Australië spoelen wij de oesters af met vers water, dit in tegenstelling tot Europa”, vervolgt Suzuki zijn verhaal. In Nederland noemen we de wilde oesters vaak Japanse Oesters, maar dit zijn dus de echte Japanse oesters.

“Wil je ons je farm laten zien?” vragen wij. “Dan beginnen we bij mijn oesterkweek”, zegt Suzuki. Onder een vlonder hangen verscheidene bakken met oesterbroed, gerangschikt op grootte. “Die zet ik uit als ze groot genoeg zijn om te hechten aan speciale drijvers,” vervolgt Suzuki zijn verhaal. Dan lopen we naar een enorme loods waar de wind doorheen giert. Er zijn bassins, verwerking- en verpakkingsmachines en stapels kisten.
In een afgesloten hok staan bakken met gedroogde sinaasappels. “Ik koop die lokaal in. Ze worden gebruikt als extra voeding voor de garnalen. Met een drone en met behulp van Google Earth geef ik ze te eten.” Het is duidelijk dat Suzuki een ingenieur is. Je merkt dat hij er plezier in heeft dingen uit te vinden en toe te passen in zijn bedrijf.  Suzuki laat ons een put zien waarmee hij extra zout water omhoog pompt. Vervolgens spuit hij dat het meer in om het zilter te maken; dat is goed voor de oesters.
Terug in het eettentje krijgen we Italiaanse pasta met jumbo garnalen. De licht zoete garnalen zijn zo vers dat bij het pellen het sap over onze vingers loopt. We zijn blij verrast hoe verrukkelijk de pasta is en vragen ons af of er, op dit traditionele eiland,  een markt voor is.

Achter ons tafeltje hangen een aantal professionele vishengels. “Gebruik je die zelf?” vragen wij Suzuki. “Zeker”, zegt hij. “Ik vis op vrijdag en breng mijn vangst ’s avonds naar een vriend in Hiroshima, die een sushitentje heeft.” Op onze camera tonen wij Suzuki waar we de avond tevoren hebben gegeten. Van de meer dan één miljoen inwoners is dat het tentje waar Suzuki zijn vis naartoe brengt. “De sushi die wij daar gegeten hebben is de lekkerste ooit”, vertellen wij hem zonder overdrijven. Suzuki glimlacht breed.
We wisselen telefoonnummers uit en haasten ons dan naar de veerboot. Suzuki zet ons af in zijn Jeep. Rennend met onze rugzakken in de armen geklemd springen we over de klep van de ferry die juist omhoog komt. Nat van regen en transpiratie vinden we een plekje onder een overkapping. Suzuki rijdt alweer terug naar zijn farm, tijd om te zwaaien is er niet. Wij reizen naar een volgend eiland,  met het voornemen Suzuki terug te zien. Ooit.

Deel dit bericht

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Laatste nieuws

Japanse Oesters en een sinaasappel drone

Japanse oesters met westers tintje

Takashi Suzuki, de Japanner waarmee we afgesproken hebben, is een lange man. Wij zijn onder de indruk van zijn vloeiend Engels taalgebruik.

Scroll naar top